Mijn naam is Anna Kagchelland, ik ben 23 jaar en woon in Dirksland. Toen ik anderhalf jaar oud was, werd bij mij retinoblastoom geconstateerd. Sinds mijn zestiende werk ik op een makelaarskantoor, en in mijn vrije tijd spreek ik graag af met mijn vriendinnen of mijn vriend, om gezellig uit eten te gaan of te shoppen.
De eerste signalen
Achteraf gezien was ik vanaf mijn geboorte al halfblind. Artsen gaven later aan dat ik met mijn 'slechte oog' waarschijnlijk alleen het verschil tussen licht en donker heb kunnen waarnemen. In het begin was er aan de buitenkant niets te zien. Wel huilde ik als baby veel, bijvoorbeeld wanneer ik voorop in het fietszitje bij mijn moeder zat; later hoorden we dat de zon in mijn oogje scheen en dat dit pijn deed. Naarmate de tijd vorderde werd mijn oog steeds troebeler en begon ik een beetje te loensen.
De impact op ons gezin
Binnen ons gezin werd er altijd heel liefdevol en betrokken mee omgegaan, maar het was natuurlijk ontzettend heftig. Je ziet als ouder ineens dat je kind ziek wordt verklaard — en dan ook nog met kanker, op zo'n jonge leeftijd. Mijn ouders hebben in die periode allerlei worstcasescenario's door hun hoofd zien gaan. Toen later bleek dat het 'maar' om één oog ging en dat het niet was uitgezaaid, viel er een enorme last van hun schouders. Iedere ouder wil dat zijn kind een zorgeloze jeugd heeft, en ineens stond alles op zijn kop.
Mijn moeder heeft destijds artikelen geschreven in tijdschriften en contact gezocht met andere ouders die later te horen kregen dat hun kind dezelfde diagnose had. Ze wilde laten zien dat het een zware periode is, maar dat er na regen ook weer zon komt — dat je kind, net als ik, gewoon normaal kan opgroeien. Dat neemt niet weg dat het emotioneel een heel intense tijd is geweest. Later kreeg ik nog een broertje; bij hem bleek gelukkig geen sprake van kanker.
Herkenning vanuit de omgeving
Ja, maar op een nuchtere en praktische manier. Ik heb altijd een hele goede band met mijn ouders gehad; ze waren altijd erg meelevend. Maar omdat het verder niet voorkomt in onze familie, herkenden ze zich niet in de lastige situaties die ik meemaakte. Mijn moeder zei altijd: "Ik kan nog zo zeggen dat ik het niet leuk vind en met je meeleven, aangeven dat je prachtig bent, maar jij hebt het." Dat stukje herkenning heb ik wel gemist. Toch kan ik het ze niet kwalijk nemen; ik besef ook heel goed dat zij nooit naar mij hebben gekeken als een dochter die kanker heeft gehad en een oog mist.
Wat hielp om vooruit te gaan
Bij mij kwam de zelfverzekerdheid met de tijd. Als kind sta je er totaal niet bij stil dat jouw ogen anders werken dan die van een ander; het is interessant en grappig. Als puber leg je alles van jezelf onder een vergrootglas en denk je, in mijn geval, dat je jezelf nooit volledig mooi kunt vinden. Later ben je die fase voorbij en besef je dat het leven veel meer is dan dat. Dat neemt de pijn niet weg, maar het leven eromheen wordt groter, waardoor je er op een andere manier mee bezig bent, in plaats van dat het de kern wordt van een onzekerheid.
Toen ik twaalf was, kreeg ik mijn eerste telefoon. Online was er toen nog weinig te vinden over mensen die hetzelfde hadden meegemaakt. Later kwam ik mensen op YouTube, TikTok of Instagram tegen die hun verhaal deelden. Ook al waren dat toen nog Engelstalige video's, ik voelde me daardoor minder alleen — er waren meer mensen zoals ik. Dat is ook de reden waarom ik meedoe aan de documentaire. Natuurlijk is het niet leuk wat mij is overkomen, maar je bent zoveel meer dan dat. Je bent niet alleen. Ik dacht altijd: als het met hen goed is gekomen, zal dat op den duur ook met mij zo zijn. Hoewel ik nooit medelijden met mezelf heb gehad — mede doordat mijn ouders mij heel 'gewoon' hebben opgevoed — is het toch fijn om jezelf te herkennen in iemand, als je niemand in je omgeving hebt met dezelfde struggles.
Leven met een kunstoog
Prima, ik ben niet anders gewend. Soms kan het wat troebel zijn bij weersveranderingen, en als ik moe ben zit het weleens wat dichter. Maar verder sta ik er eigenlijk nooit meer bij stil; over het algemeen is het nauwelijks van mijn goede oog te onderscheiden.
Hoe het nu gaat
Goed! Fysiek goed, omdat vrij snel bleek dat het 'gelukkig' maar in één oog zat. Je hebt wel je controles, waar je tot je achttiende naartoe gaat, maar verder heb ik eigenlijk bijna nooit klachten. Mentaal ook goed: ik heb het halfblind zijn echt moeten leren omarmen, maar nu hoort het bij mij. Nu ik ouder ben, zie ik pas in dat het eigenlijk niet uitmaakt. De uitspraak die mensen vroeger tegen me zeiden om me op te vrolijken — "Ja, iedereen heeft wel iets" — vond en vind ik nogal bagatelliserend, maar er zit wel een kern van waarheid in. Iedereen leeft in zijn of haar eigen wereld en maakt zich druk om wat voor diegene belangrijk is. Zij zijn helemaal niet bezig met hoe ik eruitzie of dat ik halfblind ben. En als anderen er niet zwaarmoedig over doen, waarom zou ik dat dan wel doen?
Wat ik wél kan
Haha, ik denk dat de lijst kleiner is met wat ik níét kan met één oog. Uiteindelijk kun je nagenoeg hetzelfde als iemand met volledig zicht, alleen soms met een kleine aanpassing. Ik mag hooguit geen piloot worden of het leger in — nou, die ambities had ik toch al niet. Ik kan gewoon autorijden en fietsen. Ik vind het soms zelfs vervelender dat ik geen diepte zie dan dat ik één oog heb. Als ik autorijd, weet de rest dat niet en pas ik mezelf aan de mensen om me heen aan. Zo gaat dat bij meer dingen: hoogtes en breedtes inschatten kan soms lastig zijn als ik ergens voor het eerst kom; ik moet dan even wennen, en na een paar keer loop ik er vlekkeloos doorheen. Bij het inschenken van drinken laat ik eerst mijn fles de rand aanraken, zodat ik weet dat ik goed zit. Soms verspringen zinnen in een verhaal, omdat ik door het ontbreken van diepte bij een andere regel doorlees. Mijn lichaam past zich daar automatisch op aan; ik dacht altijd dat dat normaal was, tot ik online las dat meer mensen hier tegenaan lopen (letterlijk of figuurlijk), terwijl ik het zelf nooit doorhad. Gek hoe een lichaam zich zo ongemerkt aanpast — het zorgt er wel voor dat ik, net als ieder ander, kan functioneren.
Een gewone dag
Als ik wakker word, maak ik me razendsnel klaar voor mijn werk — een ritje van zeven minuten, lekker dichtbij. Daar kom ik iets voor half negen aan en vul ik mijn dag met van alles: op kantoor telefoneer ik, houd ik mails bij, plan ik afspraken, zorg ik dat de documentatie op orde is en maak ik koopovereenkomsten op. Ben ik buiten bezig, dan maak ik foto's van woningen, doe ik eindinspecties en bezichtigingen. Tussen vijf en zes ga ik naar huis, waar ik wat eet. Daarna spreek ik af met mijn vriend of een van mijn vriendinnen, breng ik zoals elke week een bezoekje aan mijn oma, of doe ik een rondje. Daarna nog even op mijn telefoon, en dan ga ik slapen.
Wat dit me heeft geleerd
Een uitspraak die ik vaak doe, is: als het niet erger is dan kanker krijgen, dan valt het allemaal wel mee. Ik zeg dat vaak tegen mezelf om nuchter te blijven en in te zien dat gezond zijn het belangrijkste is. Natuurlijk komen daar nog veel meer factoren bij kijken, maar het begint bij gezondheid. Het zet me weer met twee benen op de grond als ik me ergens druk over maak.
Wat ik wil dat mensen begrijpen
Hoe normaal je ook wordt opgevoed, je bent en blijft iemand die halfblind is. Niet erg — verre van zelfs — maar je zult bepaalde zaken en manieren van leven misschien iets moeten aanpassen. Zelf vind ik het altijd heel storend als onbekenden me aanspreken met "Wat heb jij met je oog?" Ik snap dat het opvalt en dat mensen zich afvragen wat het is, omdat het niet vaak voorkomt. Ik ben altijd heel open geweest over wat ik heb gehad en heb er geen moeite mee om het te vertellen — maar het ligt eraan hóe mensen het vragen. Word ik het één op één gevraagd, dan wil ik alles vertellen; wordt het uit directheid, grappigheid of op een niet-respectvolle manier gevraagd, dan antwoord ik weleens: "Goedendag, ik ben Anna, ook leuk je te ontmoeten... en hoeveel verdien jij maandelijks?"
Mijn boodschap
Het is helemaal oké om je grenzen te stellen en te erkennen dat je dingen anders beleeft dan anderen. De diagnose kan enorm ingrijpend voelen, voor jezelf en voor je omgeving, en het is normaal dat je emoties door elkaar lopen. Probeer te onthouden dat je, ondanks dat je halfblind bent en/of een oog mist, nog steeds alles kunt doen wat de meeste mensen doen, soms met een kleine aanpassing. Het kan helpen om contact te zoeken met anderen die hetzelfde hebben meegemaakt, online of in het echt, zodat je je niet alleen voelt en je verhaal kunt delen. Laat je leven niet alleen door de ziekte bepalen; met tijd en zelfvertrouwen leer je je situatie te omarmen en verder te kijken dan de gevolgen van retinoblastoom. Je bent veel meer dan je ziekte. Focus op wat je wél kunt, en omring je met mensen die je steunen en je zien zoals je bent.